Eendraadschema voor nieuwbouw: AREI-checklist tot aan de keuring
Wat een eendraadschema voor nieuwbouw moet bevatten: hoofding, voeding, beveiligingen, leidingen, verbruikers, bronnen en de afstemming met het situatieplan volgens AREI Boek 1 V06.
Wat moet een eendraadschema voor nieuwbouw bevatten?
Een eendraadschema voor een Belgische nieuwbouw toont de werkelijk uitgevoerde installatie: een hoofding met nummer, versie, datum, adres en verantwoordelijke, spanning en aard van de stroom, elk verdeelbord, alle differentieel- en overstroombeveiligingen met hun kenmerken, type, doorsnede, aantal geleiders en plaatsingswijze van de leidingen, schakelaars, dozen, contactdozen, lichtpunten, vaste toestellen en bronnen. Het situatieplan toont dezelfde elementen met dezelfde referentie op hun plaats. De basis is AREI/RGIE Boek 1 versie 06, van toepassing sinds 1 april 2026, vooral afdeling 3.1.2.

Eendraadschema en situatieplan worden opgesteld door de verantwoordelijke van de uitvoering van het werk (onderafdeling 3.1.2.1 a). Vóór de gelijkvormigheidscontrole kloppen ze met de werkelijke toestand, niet met het eerste ontwerp. Deze checklist brengt je daar in tien stappen. Ze behandelt het gebruikelijke AC-systeem; geaarde DC-systemen, die versie 06 nieuw regelt, zijn een apart vakgebied waarvoor je AC-geleiderrollen en -symbolen niet zomaar overneemt.
Verplichte gegevens in één oogopslag
| Gegeven | Waar gevraagd | Document |
|---|---|---|
| Nummer, versie en versiedatum | afdeling 3.1.2 | eendraadschema en situatieplan |
| Naam, hoedanigheid en btw-nummer van de verantwoordelijke | onderafdeling 3.1.2.1 a | eendraadschema en situatieplan |
| Adres van de installatie | onderafdeling 3.1.2.1 a | eendraadschema en situatieplan |
| Spanning en aard van de stroom | onderafdeling 3.1.2.1 a | eendraadschema |
| Hoofdletter per elementaire stroombaan, volgnummer per punt | onderafdeling 3.1.2.1 a | eendraadschema, referentie op situatieplan |
| Type, doorsnede, aantal geleiders en plaatsingswijze van de leidingen | onderafdeling 3.1.2.2 a | eendraadschema |
| Type en kenmerken van differentieel- en overstroombeveiligingen | onderafdeling 3.1.2.2 a | eendraadschema |
| Schakelaars, verbindings- en aftakdozen, contactdozen, lichtpunten, vaste toestellen, bronnen | onderafdelingen 3.1.2.2 a en 3.1.2.3 a | eendraadschema en situatieplan |
| Symbolen volgens tabel 2.23 of een eenduidige legende | hoofdstuk 2.13, onderafdeling 3.1.2.1 a | beide documenten |
1. Leg hoofding en verantwoordelijkheid vast
Geef de documentenset een eenduidige identiteit voor je de eerste kring tekent:
- documentnummer, versie en versiedatum;
- adres van de installatie;
- naam en hoedanigheid van de verantwoordelijke van de uitvoering, btw-nummer indien van toepassing;
- velden voor datum en handtekeningen;
- spanning en aard van de stroom op het eendraadschema.
Eendraadschema en situatieplan dragen dezelfde versie. Een bestandsnaam volstaat niet, want afdrukken en samengevoegde pdf's verliezen hem. Ook de exportdatum is niet de datum waarop de installatie werd opgenomen.
Handtekening en visum van het erkend organisme komen pas in de controleprocedure, wanneer de installatie conform is (onderafdeling 3.1.2.1 a). Een werkversie bevat dus geen vooraf ingevulde goedkeuring en geen vermelding “AREI-conform”.
2. Leg de voeding vast
Het schema begint bij de echte voeding, niet bij een sjabloon. Noteer:
- een- of driefasige voeding;
- nominale spanning en aard van de stroom;
- nul- en beschermingsgeleider;
- aansluiting en meteropstelling;
- kaliber van de aansluitbeveiliging en de hoofdlastscheider;
- netvorm en aardingsconcept, voor zover ontwerp en bescherming ze nodig hebben;
- bijkomende bronnen zoals een PV-omvormer of transformator.
Of een aansluiting een 3×400 V-net met nulgeleider of een 3×230 V-net is, zie je aan geen enkel stopcontact. Een verkeerde aanname werkt door in poolaantal, nulgeleider, bedrading van de differentieelschakelaars en verbruikers. Vergelijk daarom aansluitcontract, bordopbouw en meting; bij twijfel bevestigt de netbeheerder de aansluitgegevens.
3. Neem elk verdeelbord op als deel van de beveiligingsketen
Teken hoofd- en onderverdeelborden met hun voeding en koppeling. Het pad van het voedingspunt tot elke eindstroombaan is volledig traceerbaar. Afhankelijk van de installatie hoort daarbij:
- hoofdschakelaar en voorgeschakelde beveiliging;
- differentieelschakelaars met type, aanspreekstroom, nominale stroom en relevante karakteristiek;
- smeltveiligheden of automaten met kaliber en curve;
- rails, koppelingen en onderverdelingen die de structuur verklaren;
- reserveautomaten als reserve, zonder verzonnen kabel of verbruiker;
- een eenduidige naam voor elk bord en vertrek.
De reeks 300 mA en 30 mA bewijst op zich geen selectiviteit. Golfvormtype, verhoogde immuniteit en tijdvertraging zijn afzonderlijke eigenschappen. Kortsluitvoorwaarden, uitschakeltijden en coördinatie volgens de fabrikant horen bij het technische ontwerp.
4. Geef elke eindstroombaan een vaste referentie
Elke elementaire stroombaan krijgt een hoofdletter. Lichtpunten, contactdozen en bedieningstoestellen nummer je in de volgorde waarin ze vanaf de voorgeschakelde overstroombeveiliging in de kring voorkomen (onderafdeling 3.1.2.1 a). Dezelfde code staat op het bordetiket.
Per vertrek beantwoordt de opname:
- Welk gebruik en welke verbruikers horen erbij?
- Is het een licht-, stopcontact-, gemengde of toegewezen toestelkring?
- Welke vaste toestellen zijn aangesloten?
- Zijn er verbindings- of aftakdozen?
- Welke differentieelschakelaar beveiligt de kring?
- Kloppen schema, bordetiket en situatieplan?
“Keuken” is geen bruikbare naam wanneer verlichting, werkstopcontacten, vaatwasser en kookplaat elk een eigen kring hebben. Namen helpen bij de oriëntatie; eenduidig is pas de elektrische referentie.
5. Vermeld alle leidinggegevens
Onderafdeling 3.1.2.2 a vraagt type, doorsnede, aantal geleiders en plaatsingswijze. Leg die vast per leidingdeel. Na een aftak- of verbindingsdoos kunnen kabel of plaatsingswijze veranderen; één kabeltekst aan het begin van de kring verbergt dat.
Het ontwerp achter het schema gaat verder. Controleer afzonderlijk:
- bedrijfsstroom, kaliber van de beveiliging en stroombelastbaarheid;
- plaatsingswijze, groepering, omgevingstemperatuur en isolatie;
- leidinglengte en spanningsval;
- kortsluit- en foutlusvoorwaarden;
- minimumdoorsneden en bijzondere kringregels;
- de vermelde beschermingsgeleider tegenover de werkelijk geplaatste leiding.
Tabel 4.11 geeft voor huishoudelijke installaties het hoogste kaliber van smeltveiligheid of automaat per doorsnede, bijvoorbeeld een automaat van 20 A voor 2,5 mm². Dat is een bovengrens, geen volledige kabelberekening. Een keurig label XVB 3G2,5 is waardeloos als op de werf een andere leiding ligt.
6. Neem verbruikers, dozen en bediening op
Het eendraadschema bevat schakelaars, verbindings- en aftakdozen, contactdozen, lichtpunten en vaste machines en toestellen (onderafdeling 3.1.2.2 a). Gebruik de symbolen van tabel 2.23. Ontbreekt daar een teken, dan definieer je een eenduidig symbool in de legende.
Maak zichtbaar wat technisch telt:
- enkelvoudige of meervoudige contactdoos;
- contactdoos met aardingscontact, geschakelde of bijzondere contactdoos;
- lichtpunt en werkelijke schakelfunctie;
- drukknop, relais, bewegingsmelder of domoticasturing;
- vast aangesloten toestel of gewone stopcontactlast;
- verbindingsdoos of aftakdoos.
Een algemeen toestelsymbool met duidelijke tekst is beter dan een verzonnen pictogram. Functie, referentie en aansluiting tellen.
7. Teken bronnen en bijzondere delen
PV-installatie, omvormer, batterij, generator en transformator horen in de elektrische structuur van het eendraadschema; het situatieplan toont hun plaats. Voor een huishoudelijke laagspannings-PV-installatie bevat het dossier bovendien bedienings- en onderhoudsinstructies, veiligheidsinstructies en de technische referenties en kenmerken van het geïnstalleerde materieel, zoals merk, model en vermogen (afdeling 9.1.2).
Een PV-pijl bij het hoofdbord beschrijft aansluitpunt noch beveiligingsketen. Teken welke bron kan injecteren, waar ze koppelt en welke componenten ertussen zitten. Of een batterij naar het net kan terugleveren, haal je uit de fabrikantgegevens in plaats van te gokken.
Zijn er veiligheids- of kritische installaties, dan komen er een lijst en een plan van die installaties bij; hun bronnen, kringen en verbruikers zijn op het eendraadschema duidelijk geïdentificeerd (onderafdeling 3.1.2.1 a).
8. Houd het situatieplan synchroon
Elk bord, elke doos, contactdoos, lamp, bediening, elk vast toestel en elke bron van het eendraadschema staat op het situatieplan op zijn plaats (onderafdeling 3.1.2.3 a). De referentie C3 betekent in beide documenten hetzelfde element. Schakelaars dragen de letter van hun kring en het nummer van het punt dat ze bedienen.
Controleer in beide richtingen:
- elk element van het schema op het situatieplan terugvinden;
- elk plansymbool op het eendraadschema terugvinden;
- letter en nummer vergelijken;
- verdieping, ruimte en bordtoewijzing nakijken;
- verborgen dozen en buitenelementen meenemen.
Onbekende kabelroutes teken je niet. Het situatieplan toont de ligging van de vereiste componenten; extra kabel- of aardingsplannen maak je alleen met betrouwbare gegevens.
9. Leg de werkelijke toestand vast vóór de keuring
Vóór ingebruikname ondergaat de nieuwe installatie de gelijkvormigheidscontrole (hoofdstuk 6.4). Het erkend organisme meet de aardingsweerstand en het isolatieniveau en bevestigt in het verslag dat differentieelschakelaars en aardingsweerstand, en overstroombeveiligingen en leidingdelen op elkaar afgestemd zijn, en dat de installatie volgens eendraadschema en situatieplan is uitgevoerd. Het controleert ook de continuïteit van beschermings- en equipotentiale verbindingen (onderafdeling 6.4.6.4).
Zoek daarom vlak voor de afspraak naar echte afwijkingen, niet naar tikfouten:
- Werd een andere automaat of differentieelschakelaar geplaatst?
- Is een kabeldoorsnede of leidingtype gewijzigd?
- Kwam er een contactdoos, lamp of doos bij?
- Werd een kring naar een andere differentieelschakelaar verhuisd?
- Kloppen bordetiketten en referenties?
- Horen alle bladen bij dezelfde versie?
Pas installatie en documenten samen aan. Een technische fout los je op, je retoucheert hem niet weg.
10. Organiseer dossier en latere wijzigingen
Het dossier van een huishoudelijke installatie bevat eendraadschema, situatieplan, de verslagen van de gelijkvormigheidscontrole, eventueel bewijsstukken over het materieel en later de documenten bij wijzigingen. De eigenaar bewaart het dossier in twee exemplaren en geeft het door aan een nieuwe eigenaar (afdeling 9.1.2).
Na de keuring houd je het schema bij. Belangrijke wijzigingen of uitbreidingen vragen aangepaste schema's en plannen; bij een niet-belangrijke wijziging volstaat een gedateerde en ondertekende bondige beschrijving, en het situatieplan toont altijd de actuele toestand (onderafdeling 3.1.2.1 a). Bewaar de gekeurde versie en elke latere versie traceerbaar.
Eindcheck
- documentnummer, versie, datum, adres en verantwoordelijke volledig
- spanning, aard van de stroom en werkelijke aansluiting vermeld
- alle borden en bronnen opgenomen
- differentieel- en overstroombeveiliging met kenmerken vermeld
- elke eindstroombaan eenduidig aangeduid
- kabeltype, doorsnede, aantal geleiders en plaatsingswijze volledig
- contactdozen, lichtpunten, dozen, schakelaars en vaste toestellen aanwezig
- symbolen volgens tabel 2.23 of eenduidig in de legende
- referenties gelijk aan bord en situatieplan
- werfwijzigingen in beide documenten verwerkt
- bijkomende stukken voor PV, veiligheids- of bijzondere installaties toegevoegd
- ontwerpberekeningen en metingen buiten het schema afgerond
Ontwerp, werf en ingebruikname afstemmen
Een nieuwbouw verandert bijna altijd tussen offerte en ingebruikname. Houd daarom een open afwijkingenlijst bij: geplande referentie, uitgevoerde aanpassing, wie besliste, betrokken plannen en ontbrekend bewijs. Typisch zijn een verplaatst bord, een extra buitenstopcontact, een ander vermogen van de warmtepomp of een later toegevoegde PV-omvormer. Pas als elke regel afgehandeld of uitdrukkelijk als niet uitgevoerd gemarkeerd is, wordt het ontwerpschema een as-built schema.
Loop daarna met etiketten en meetdocumenten door de installatie. Schakel kringen niet op basis van veronderstelde ruimtenamen. Vergelijk de markering in het bord met de referentie op het schema en het punt op het situatieplan. Veranderen geleiders, beveiligingen of instellingen tijdens de ingebruikname, dan werk je de documentatie bij; een vroege pdf-export is geen eindversie.
Voorbeeld: een nieuwe eindstroombaan voor de droogkast
Voor een vast aangesloten droogkast volstaat “wasplaats” niet. Het dossier toont uit welk bord en achter welke beveiligingen de kring vertrekt, welke referentie hij draagt, welke leiding met hoeveel geleiders en welke doorsnede er ligt en welk toestel aan het einde hangt. Wasmachine, droogkast en vaatwasser krijgen elk een eigen kring (onderafdeling 5.2.1.2) en hangen achter een differentieelschakelaar met hoge of zeer hoge gevoeligheid (onderafdeling 4.2.4.3 b). Op het situatieplan staat dezelfde referentie op de werkelijke aansluitplaats. Handleiding, toestelwaarden en instellingen bewaar je als technische documentatie.
Controleer daarna de raakvlakken: is het traject van de beschermingsgeleider traceerbaar? Komt de aansluitwijze overeen met de tekening? Werd een aparte voeding op de werf toch een gedeelde leiding? Ontbreekt er een aftakdoos op het schema? Die vragen voorkomen dat formeel volledige bladen een verouderde ontwerpstaat tonen.
Een beheerste documentenset overdragen
Benoem de einduitgave eenduidig met project, adres, revisie en exportdatum. Bundel eendraadschema, situatieplan, keuringsverslag en technische documenten in een geordend dossier. Werkversies en vervangen revisies markeer je apart als historiek. Zo weet de eigenaar welke bestanden actueel zijn en dat latere wijzigingen opnieuw gedocumenteerd worden.
De officiële FOD-pagina over de controle van huishoudelijke installaties noemt de minimaal voor te leggen plannen en vat hun inhoud samen. De gedetailleerde bepalingen staan in AREI Boek 1, versie 06.
Voorbereiden met PlanElec
PlanElec beheert grondplan, elektrische topologie en bordgegevens in één project. Eendraadschema en situatieplan ontstaan uit hetzelfde model, dragen dezelfde referenties en gaan de deur uit als pdf of als samengesteld installatiedossier met voorblad en documentenlijst. De AREI/RGIE-zelfcontrole toetst de ondersteunde regels aan je projectgegevens en toont open punten voordat de keurder ze vindt.
De rollen zijn duidelijk verdeeld: PlanElec structureert en controleert de documentatie. Aansluitcontrole, kabelberekening, werfopname en metingen blijven het werk van de vakmensen ter plaatse, en de officiële gelijkvormigheidscontrole doet het erkend organisme.
Verder lezen
- Eendraadschema en situatieplan samen gebruiken
- AREI-symbolen uitgelegd
- Elektrische keuring voorbereiden
- Is een hoofdschakelaar verplicht volgens het AREI?
- Materiaallijst van een elektrische installatie opstellen
- Rookmelder verplicht in België: de regels per gewest
Start een nieuwbouwproject in PlanElec →
Regelbasis: AREI Boek 1 V06, vooral hoofdstuk 2.13, afdeling 3.1.2, tabel 4.11, onderafdeling 4.2.4.3, onderafdeling 5.2.1.2, hoofdstuk 6.4 en afdeling 9.1.2. De officiële tekst en de uitgevoerde installatie zijn doorslaggevend.